60 jaar “Look Back in Anger” in Derby

Begin mei zal het zestig jaar geleden zijn dat John Osbornes “Look Back in Anger” in première ging in Londen. In de afgelopen zes decennia is het stuk, ondanks alle rumoer bij de première, deel gaan uitmaken van het ijzeren repertoire. Afgelopen zaterdag ging de revival in première in Derby, de stad waar Osborne de inspiratie haalde voor zijn stuk. De jubileumproductie van Derby Theatre is echter geen oefening in canonisatie. De handschoenen gaan uit in deze jonge, energieke productie van een onverwoestbare klassieker. Daar moest ik bij zijn.  

look back foto

Voor wie het stuk niet kent: “Look Back in Anger” is wat er gebeurt wanneer je “A Streetcar Named Desire” vertaalt naar het afgeleefde Groot-Brittannië van net na de Tweede Wereldoorlog. “Look Back in Anger” is het relaas van de 25-jarige Jimmy Porter en zijn vrouw Alison. Porter, van lage komaf, is erin geslaagd een universitair diploma te behalen, maar beseft dat zoiets geen verschil maakt in het na-oorlogse Groot-Brittannië. Alison, de dochter van kolonialen die pas enkele jaren tevoren terugkeerden uit India, heeft haar gegoede familie in de steek gelaten om met Jimmy te trouwen. Sindsdien wonen ze in een armoedig zolderappartement in de Midlands, ver van de actie in Londen vandaan. De uitzichtloze sleur en Jimmy’s besef van zijn eigen futiliteit maken hem tot het prototype van de angry young man. Samen met huisgenoot Cliff is Alison toeschouwer en slachtoffer van Jimmy’s tirades over maatschappij en politiek, maar ook over huwelijk en liefde. Jimmy zal haar geen moment doen vergeten dat ze, ondanks haar keuze voor hem, nog steeds staat voor alles wat hij verguist. Net op het moment dat Alison ontdekt dat ze zwanger is, nodigt haar beste vriendin Helena zichzelf uit om te blijven logeren. En dan gaan de poppen pas echt aan het dansen.

Made in Derby

Osborne zelf werd nooit zo expliciet in zijn situering, maar Derby Theatre pakt stevig uit met de historische link tussen de stad en het stuk.  Osbornes autobiografie en twee vuistdikke biografieën bieden immers genoeg stof om wie daar zin in zou hebben, op bedevaart naar Derby te sturen. Het was immers in Derby dat zowel zijn wisselvallige acteercarrière als zijn huwelijk met de rijzende ster Pamela Lane op de klippen liepen. Het  huwelijk had  meer in het teken gestaan van de klassenstrijd dan wat anders, met Lane als trofee. Weinig verwonderend dat de klad er al snel in zat. Aanmodderend in Derby moest Osborne aanzien hoe zijn echtgenote op het podium de show stal en hem privé de horens zette met de plaatselijke tandarts. Een eindeloze reeks ruzies, uitgevochten in Lane’s zolderflat, beslechtte het pleit. In de loop van 1955 schreef Osborne in een woedende marathon zijn ervaringen van zich af en probeerde het resulterenbde stuk aan verschillende gezelschappen te slijten. Ook in Derby, maar het theatergezelschap dat de ex-echtelieden Osborne in dienst had gehad, voelde er weinig voor. Ze zullen wel vermoed hebben dat het stuk niet vriendelijk zou zijn voor hun opkomende vedette Lane. Uiteindelijk zou het jonge Royal Court Theatre in Londen de uitdaging aangaan. De rest is geschiedenis, 1956 and all that. Best ironisch dus dat Derby Theatre, de geestelijke opvolger van dat lang vergane gezelschap, tekst en stad zo innig linkt. Zou “Look Back” een even onverwoestbare klassieker zijn geworden, wanneer het ver weg van Londen in première was gegaan als tussendoortje in het plaatselijke repertoiretheater, dat elke week een nieuw stuk opvoerde?

Anno 2016 heeft het stuk echter een vaste plaats in de canon verworven, al is veel van de mythevorming eromheen intussen al weer stevig afgezwakt. Wie vandaag met de tekst aan de slag gaat, moet wel optornen tegen een aantal canonieke vertolkingen, waarvan de filmversie uit 1958 met James Burton een van de bekendste is. Maar vooral de productie van Judi Dench uit 1989, met in de hoofdrollen een jonge Kenneth Branagh en Emma Thompson, werpt een zware slagschaduw op voor wie daarna met Osbornes stuk aan de slag wil. Niet in het minst omdat die versie integraal op het  internet staat, maar ook omdat Osborne zelf deze versie van het stuk uitriep tot de beste die hij ooit gezien had. “It took the rant out of Jimmy Porter.”  Branagh speelt Porter, enkele woede-uitbarstingen niet te na gelaten, met een ondertoon van gespeelde verontwaardiging, een verongelijkt “dat moeten wij weer hebben,” het exact tegenovergestelde van Burtons mitrailleurgelijke sneren.

De ploeg van Derby Theatre laat zich echter niet intimideren. De mise – en scène is klassiek, met een realistisch aftands éénkamerinterieur, maar de acteerprestaties zijn eigenzinnig en actueel. Patrick Knowles speelt Jimmy met minder ironie, maar meer fysieke presence dan Branagh. Knowles’ Jimmy zègt niet alleen dat hij kwaad is, je ziet het ook aan zijn bewegingen, zijn pose als die van een afwachtende bokser.  Tegelijk vindt Knowles een  manier waarop om, vaak onverwacht, zijn pantser van opgeklopte woede te laten  zakken en een kwetsbare kant te laten zien. Er zit veel meer beweging in Knowles’ acteerwerk, en dat vanaf de eerste seconde. Zijn eerste zin “why do I do this every Sunday?” klinkt niet zozeer verveeld, maar wordt uitgesproken op een geïrriteerde toon en een balorige mimiek die het publiek meteen waarschuwt voor wat er nog komen moet. Vanaf de eerste seconde is de angry young man in deze productie al aardig op dreef. Toch slaagt Knowles erin om voldoende afwisseling in zijn performance te leggen opdat het nooit eentonig wordt. Een hele prestatie, rekening houdend met het feit dat van de vier protagonisten, Porter het langst en het vaakst aan het woord is. Brevitas is nooit Osbornes forte, en zeker niet in de volgehouden tirades van de hoofdpersoon die zoveel gelijkenissen met zijn kwaaie, jonge schepper gemeen heeft. Het dient ook gezegd dat sommige  uitbarstingen  in de nieuwe productie flink zijn bekort. Niet alleen om de vaart erin te houden – in originele vorm valt het tempo bijvoorbeeld in de derde act te hard terug – maar ook omdat je er niet omheen kunt dat Porter met sommige uitlatingen over vrouwen en homo’s  naar hedendaagse normen zijn boekje al te ver te buiten gaat. Mochten die gratuite uitbarstingen integraal zijn overgenomen, zouden ze de discussie over de hedendaagse betekenis van het stuk al te zeer hypothekeren, en verdoezelen dat Porters sociale analyse van een Engeland waarin je naam en je old boys’ network er meer toe doen dan je intrinsieke talenten, ook anno 2016 nog hout snijdt. Knowles slaagt er veel beter dan Branagh in om dat gevoel van sociale onrechtvaardigheid gestalte te geven.

Teddybeer

Voor de andere acteurs is “Look Back in Anger” een minder dankbaar stuk. Alison, Helena en Cliff krijgen immers veel minder tekst toegemeten. Het komt eropaan om als acteur je terrein te verdedigen tegen het geweld van orkaan Porter. Osborne bedacht de medeprotagonisten van zijn kwaaie jongmens met rollen die hen  in de handen van de verkeerde acteurs zouden herleiden tot aangevers. Het is een val waarin deze productie alvast niet trapt. Jimmy Fairhurst is subliem als Cliff, de huisgenoot die tegen beter weten in probeert de lieve vrede te bewaren. Zijn rol is complex: enerzijds is hij een cruciaal onderdeel van het huishouden, anderzijds gaat hij conflicten zoveel mogelijk uit de weg. Voorwaar geen sinecure wanneer je luie stoel pal tussen de twee bekvechtende echtelieden in staat. Op kantelmomenten in het stuk is hij de bliksemafleider, een rol waarvan hij zich wel degelijk bewust is. Het komt erop aan al die nuances mee te geven in een al bij al beperkte hoeveelheid dialoog.  Fairhurst  haalt Cliff uit de rol van soezelende toeschouwer. Zijn ergernis om Jimmy’s tirades en bullying tactics is veel meer aanwezig. Hij werpt zich ook veel zichtbaarder op als beschermer van Alison, soms met een gestiek die doet denken aan die van een umpire bij een boksmatch. Fairhursts teddyberenfysiek komt hem ook ten goede in de broodnodige momenten van comic relief.

Alison, Porters echtgenote, is op het eerste gezicht de lijdzaamheid zelve. Het zou verleidelijk zijn om haar neer te zetten als een moegetergde sloor die zich op haar kop laat zitten zonder nog veel terug te zeggen, omdat ze er na drie  jaar huwelijk wel achter is dat dat toch geen zin heeft. Dat is echter niet het pad dat Derby Theatre volgt. In navolging van Emma Thompson beseft ook Augustina Seymour dat Alisons onverzettelijke stilte een wapen kan zijn, in lijn met Osbornes overtuiging dat Alison net door te zwijgen toont dat ze even kwetsend  kan zijn als haar man. Seymour voegt echter nog een aspect aan de rol toe dat in veel andere producties zelden ten volle tot zijn recht komt: dat er diep in haar een rebellie wortelt die haar er jaren tevoren toe heeft gebracht om Jimmy te volgen en zich uit haar eigen  familie te laten zetten, tegen alle conventies in. Alleen kon ze op dat moment niet voorzien wat er enkele jaren later van zo’n huwelijk zou overblijven. Seymours Alison heeft veel meer ruggengraat dan je zou vermoeden, wat vooral tot uiting komt in het tweede deel van de tweede act, waarin ze op uitnodiging van Helena voor het eerst in jaren weer naar de kerk gaat. Bij die plotwending zijn twee interpretaties mogelijk: ofwel heeft ze zich laten meeslepen door Helena, ofwel is het haar eigen keuze. Het kordate “let’s go” waarmee ze een machteloos woedende Jimmy achterlaat, duidt duidelijk op het tweede.

Vijand en minnares

Dat brengt ons bij de dubbelzinnigste protagoniste van dit klassieke kitchen sink drama: Helena Charles, Alisons beste vriendin, repertoire-actrice en door Osborne neergezet als symbool van alles waar Jimmy tegen in opstand komt. Tegelijk speelt ze een complexe rol in het sowieso al wankele huishouden van de Porters.  Osborne verzinnebeeldde haar als een verwende snob die steeds op haar moral high horse zit. Maar ze is tegelijk ook antagoniste en later minnares voor Jimmy. Hoewel Jimmy en Helena doorheen de eerste helft van de tweede act vooral op elkaar inhakken, schijnbaar van elkaar gescheiden door een onoverbrugbare klassenkloof, moet er van bij het begin ook iets van aantrekkingskracht tussen de twee bestaan. Een cruciale nuance, maar één die slechts in enkele schaarse stukjes dialoog geëxpliciteerd wordt, bijvoorbeeld wanneer Helena zich aan het begin van de tweede act laat ontvallen dat ze Jimmy’s vijandige colère vreemd opwindend vindt. Als acteur krijg je van Osborne  slechts dat ene zinnetje om de hypocrisie en morele dubbelzinnigheid van je personage te voorafschaduwen. Actrie Daisy Badger heeft het dan echter al zo bond gemaakt met haar karikaturale dictie en maniertjes, dat de zaal in lachen uitbarst. Als uitgerekend een personage als Helena Charles voor lachsalvo’s zorgt, doe je als acteur iets verkeerd.

Knowles en Seymour slagen er echter wonderwel in om steeds de juiste vibe te creëren en iets van liefde te laten doorsijpelen temidden van de verbale bombardementen die de hoofdmoot  van het stuk vormen. Ze slagen er zelfs in om de tafereeltjes waarin Jimmy en Alison eekhoorns en beren naspelen, zo te brengen dat je tenen er niet van gaan krullen. Een hele opluchting, want het hele kathartische opzet van de finale, waarin de knuffeldieren opnieuw hun opwachting maken, is maar geslaagd wanneer de absurde meligheid van het dierenspelletje door de acteurs ontzenuwd wordt. En dat doen ze met verve.

 

Derby Theatre voert met “Jinny” ook een “antwoordstuk” op, waarin de angry young man van weleer wordt vervangen door een jonge vrouw uit de working class. Première aanstaande maandag, het verslag hebt u nog van me te goed.